De Hands Supporting-reflex, de opvangreflex is een beschermende reflex die zich bij de baby in de baarmoeder vanaf de 12e week ontwikkelt. Hij  integreert in het bewegingssysteem vanaf 6 maanden na de geboorte.

De opvangreflex werkt als volgt. Als je de baby onder de oksels optilt en iets vooroverbuigt, met het gezicht naar beneden, strekt het kind zijn armen naar voren en spreiden zijn vingers. De baby vangt zich op.

De opvangreflex beschermt en blijft het hele leven aanwezig. Wanneer je voorover valt, strek je je armen uit om je op te vangen om je gezicht en je lijf te beschermen. Deze reflex helpt mee om je lichaamsgrens te voelen en aan te geven én om andermans grenzen te accepteren. Deze reflex leert je om ‘nee’ te zeggen en assertief te zijn. Voel maar eens wat er gebeurt in je lijf als je met heel je hart zegt: ‘Wow, dit wil ik niet! Stop!’ Waarschijnlijk merk je dat je armen daarbij, als vanzelf, een beweging naar voren willen maken.

In de babytijd train je deze reflex tijdens het kruipen. Je moet je armen stevig neerzetten om je hoofd omhoog te kunnen houden en niet met je neus op de grond te vallen. De polsen, ellebogen, schouders en wervelkolom zullen voldoende veerkracht moeten geven om schokken op te vangen. Kruipen leert je hoe de armspieren zich spannen en ontspannen. Kruipen leert je om mee te gaan met alles wat het leven je brengt, en om daarin je grens te bewaken.

De opvangreflex ondersteunt de bewustwording en coördinatie van het boven- en onderlichaam en is van belang voor de ontwikkeling van de oog-hand-coördinatie. Deze reflex helpt op cognitief gebied mee met de verwerking van informatie. Het maakt dat je kunt denken en handelen in een logische volgorde.

Het doel van de opvangreflex

  • beschermen
  • lichaamsgrenzen voelen, aangeven, respecteren
  • bewust worden van onder- en bovenlichaam
  • de coördinatie ontwikkelen
  • informatie verwerken, logisch denken en handelen

Een speelse oefening om de opvangreflex te integreren, is ‘elkaar wegduwen’.
Ga tegenover elkaar staan, strek de armen naar voren en leun tegen elkaars handen. De ellebogen blijven gestrekt. Duw elkaar weg en let erop dat de armen gestrekt blijven.

Kenmerken van een niet-geïntegreerde opvangreflex

  • over grenzen gaan: van jezelf en van anderen
  • moeite met het aangeven van grenzen
  • moeite met het opnemen van (nieuwe) informatie